dinsdag 19 mei 2009




Baliverhalen: de rode draad.


Vanwege haar rode koppie is Fifi de rode draad in mijn leven. Maar het is niet alleen rood wat bij haar de klok slaat, elke kleur kan aan bod komen qua kleding en sieraden, als het maar ergens in de totale outfit “terugkomt”. Dat ze een kleurentik heeft, geeft Fifi zelf toe. Op haar rode haartjes is ze eigenlijk altijd voorzien van een “hoofdtooi”, zoals ze zelf dat geheel van frutseltjes  betitelt. Wisselend in kleuren en samenstelling, al naar gelang de rest van de outfit. 

In Nederland wordt ze er wel eens om uitgelachen (‘Is het kerstmis? Is het carnaval?’).

Op Bali lacht men ook, maar meestal toe. En gaan de duimpjes omhoog.

Ik noem haar wel eens vanwege die kleurige uitstraling de paradijsvogel. Op één van onze eerste reizen zijn we op de gehuurde brommer speciaal ervoor naar het vogelpark gereden. Om de paradijsvogel in werkelijkheid te zien. Ik kreeg het voor elkaar ze samen op één foto te krijgen.


...


De lol begint al op Schiphol als de douanemeneer begint met de vraag: ' Bali?'

Er onmiddellijk aan toevoegend richting Fifi’s hoofdtooi: ‘Pas maar op voor de mussen.’

‘Mussen?’

‘Ja vanwege dat (en hij wijst naar Fifi’s fleurige koppie) .... dat ze er niet in gaan nestelen ...’


...


Er komen ook weer van die schrale krielkippetjes voorbij schuifelen. Fifi noemt ze saté-kippetjes! Ja, saté, dat zal wel hun toekomst zijn.

Levende saté. Op weg naar Kenderan naar de crematie, rijdt er voor ons een auto met een zwart strikje, nu weten we zeker dat we goed zijn. En weet ik pas echt zeker dat ik het van de week goed heb verstaan. Cerick parkeert de auto ergens vooraan in de lange smalle straat, waar het in de verte te doen is. Lopend passeren we een gigantische waringin bij een klein intiem tempeltje.

Bj nadere beschouwing zijn het verschillende bomen bij elkaar, met elkaar vergroeid. De wortels van de één vormen weer een nieuwe boom ernaast.

Op ons Balische Paasbest hebben we onmiddellijk veel succes. Nou Fifi dan.

Met haar haartooi en het gele pluutje. Geweldig. 

Mensen voor de huizen zittend in gezellige groepjes knikken goedkeurend. Ook naar onze Balische kledij. Ik eigenlijk voor het eerst met de nieuwe over-sarong. 

En je hoort ze zeggen: ‘Bali custom. Bagus.’ 


...


In restaurant Mangga Madu worden we onmiddellijk aangesproken door een blonde struise Australische dame, die een tafeltje verderop zit. De hoofdtooi van Fifi heeft ook haar aandacht getrokken en haar vraag is of Fifi die zelf heeft ontworpen en of ze soms ontwerpster is? Zelf is ze dat wel namelijk. Ze vindt wat Fifi op haar hoofd heeft leuk en vooral origineel. Zij ontwerpt kleding en woont nu al weer enkele jaren in Ubud. Ze kwam hier na een scheiding om bij te komen en is hier nooit meer weggegaan.

Het is leuk praten

 met haar en al gauw is het onderwerp Bali natuurlijk. Het onverwachte van Bali, waar alles mogelijk is. Niets is zeker hier. Ze zegt de zinnen in snel Engels, met uiteraard een Australisch accent, wat veel van mijn concentratie vraagt. En soms hoor ik stukken niet goed vanwege het geluid van het voorbijrazende verkeer. Verhalen over advocaten. Balische adviseurs. Een stuk land dat afgemeten wordt aan de hand van de kokosnootpalmen die het omranden. Van die stories. 

Maar ze lacht ermee.

Ze vraagt wat wij hier zoal doen. Nou, vertellen we, we zijn van die “temple-jumpers”.

En we stellen ons voor. Fifi is de “fairy, the queen of the fairies” en ik ben “the dwarf” .

‘Oh no,’ reageert ze beslist over dat laatste.

Haar naam is Giny (van Virginia, zoals op het visitekaartje staat, dat ze ons geeft als ze opstapt, het wordt overigens tijd dat we zelf onze kaartjes hebben, misschien volgend jaar?) en vertelt op de valreep nog dat ze misschien dit jaar nog haar zaak opent in de zijstraat van Hanomanstreet, de straat die naar het voetbalveld loopt, verduidelijkt ze nog, richting Monkey Foreststreet. Het pand naast Watu Baru, als ik het goed heb verstaan. Volgend jaar eens kijken. Lachend vertrekt ze.


...   


We besluiten, nergens op gebaseerd, linksaf te gaan. De straat is de “pasar seni pagi”. De dagkunstmarkt van Sukawati

Ons oog valt op een pick-up auto, waarvan de laadbak volgestouwd is met houten boeddhabeelden. Kriskras door elkaar. 

Aan de andere kant een grote hal met nog meer beeldjes.

Garuda’s, leguanen, aapjes, boeddha’s, Ganesha’s, van alles. Uitgespreid over de vloer.

Elke verkoopster heeft zijn specialiteit. Dus de één verkoopt aapjes, de ander weer wat anders. Slechts smalle gangetjes openlatend.

Als we een mooie vinden, zijn we eventueel te verleiden een Ganesha te kopen. Maar die vinden we niet. Ja wel Ganesha’s maar die zijn echt niet mooi uitgewerkt. Te grof. Het lijken wel draken met een slurf. En ze hebben een dreigende uitdrukking, dit geheel in tegenstelling tot de zachtaardige natuur van de Ganesha. Althans in onze optiek. De veelheid duidt erop dat het eigenlijk een plek is voor de handelaren. Die schijnen er ook van het hele eiland te komen om hier hun handelsinkopen te doen. In grote aantallen natuurlijk. Het verklaart ook al die opgestapelde boeddha’s in de auto. Al bij het naar binnenlopen van de hal hebben we het gevoel dat iedereen naar ons kijkt. 

En dat is ook zo. Sommigen hebben moeite hun lachen te verbergen.

Waarschijnlijk door Fifi’s outfit: het rode haar met de bloem erop.

Maar het is een lach niet van spot maar meer van bewondering. 

‘Cantik,’ hoor je ze elkaar toefluisteren.

Een schriel mannetje stelt de stereotiepe vraag: ‘Where do you come from?’

Ik antwoord met: ‘ From heaven.’ En dat lieg ik niet, wijzend naar Fifi.


...


Als we in Ubud aan het voetbalveld op Cerick aan het wachten zijn na ons etentje bij “Delicat”, komt er een wildvreemde dame naar ons toegelopen.

Ze gaat voor Fifi staan en zegt: ‘ I like your head.’ Doelend op wat Fifi op haar hoofd heeft.

Zelf heeft ze ook geen onaardig kopje en ik zeg: ‘And I like your head.’

Lachend huppelt ze verder ...


...


We zijn op weg naar Gonny en Paul in Seminyak en hebben voor hen paradijsbloemen gekocht. Althans van die taak hebben Catharina en Marylène zich gekweten. Op weg ernaartoe houdt Fifi ze op haar schoot. 

De paradijsvogelbloem (Latijnse naam: strelitzia reginae) behoort tot de familie van de musaceae, waartoe ook de banaan behoort. De naam van de bloem is heel toepasselijk wegens de sierlijk opstaande, oranje schutbladen. Ze staan als een trotse hanenkam op een grijsgroene bloemschede. Kleurige kuifjes steken omhoog. Net als bij Fifi. Mijn paradijsvogel. En in haar Tibetaanse naam (Detchen Gyalmo) zit koningin. Koningin van het paradijs. De koninklijke bloem en de koninklijke Fifi. Paradijsvogel, engel en koningin tegelijk. Ik begin nu ook langzaam te begrijpen waarom we bij de koninklijke families zo gemakkelijk naar binnen lopen ...

We gaan ook nog even naar hun zoon Jacques, er niet ver vanaf.

Na een kopje koffie gedronken te hebben, gaan we naar zijn winkel in de Jalan Laksmana.

Jacques begeleidt ons naar de auto en complimenteert Fifi: ‘Je ziet er vrolijk uit.’

Ik zeg: ’Ja, ze is de paradijsvogel.’

‘Dat is toepasselijk,’ zegt hij, ‘de straat hier heet de Paradijsvogelstraat....’


Het kan niet op ...

De paradijsvogel is wel de rode draad vandaag. 

En Fifi als paradijsvogel de rode draad voor de hele trip en zo lang als ik haar ken ...


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen